Gezien het ingrijpende karakter van de mogelijke vrijheidsbeperkingen is inspraak van het parlement hierin essentieel om het democratisch draagvlak van de maatregelen te verhogen

Al meer dan dertien maanden wordt de huidige pandemie te lijf gegaan met Ministeriële Besluiten die gebaseerd zijn op de Wet op de Civiele Veiligheid. Deze juridische constructie kwam echter maatschappelijk onder steeds zwaardere kritiek te staan.

Na een eerder pleidooi van Minister Vandenbroucke in december om een “catch-all” noodwet uit te vaardigen waarbij een crisissituatie zou volstaan om verregaande maatregelen te treffen vanuit de regering is dit in voorliggend ontwerp van pandemiewet niet langer het geval.

Het is dan ook een stap vooruit dat in het voorliggend ontwerp verregaande maatregelen die vrijheden zwaar beperken enkel kunnen ingeval de regering op basis van wetenschappelijke gegevens de epidemische noodsituatie kan uitroepen. Het parlement krijgt wat het al of niet erkennen van een epidemische situatie betreft effectief medezeggenschap. Zij dient te bevestigen bij gewone meerderheid dat er effectief sprake is van een epidemische noodsituatie.

Ten gevolge het recente advies van de Raad van State op het voorontwerp werd de termijn voor het parlement om dit te bevestigen van één week naar 15 dagen gebracht. Ook dit komt het parlementair debat ten goede.

Ook een ander heikel punt dat de Raad van State naar voor schoof werd door Minister Verlinden aangepast.

In principe zullen de maatregelen die getroffen worden in de nieuwe versie niet langer louter door de Minister van Binnenlandse zaken genomen worden maar door de hele regering en dit via Koninklijk Besluit. Dit was immers zoals wij reeds eerder schreven ongrondwettelijk. Er kan immers geen beslissingsmacht gedelegeerd worden naar de individuele minister.

Artikel 105 van de Grondwet spreekt expliciet over de Koning. Op grond van de artikelen 37, 105 en 108 van de Grondwet komt de verordenende bevoegdheid, op federaal niveau, toe aan de Koning. Er kan enkel een wettelijke delegatie door het parlement worden gegeven aan de voltallige regering (de Koning) en dus niet aan één specifieke minister, behoudens als de maatregel zo dringend is dat dit niet via de regering kan genomen worden. So far, so good.

Jammer genoeg worden in het nieuwe ontwerp de vrijheidsbeperkende maatregelen nog steeds vastgelegd door een Koninklijk Besluit. Het principe blijft dan ook dat de regering de maatregelen neemt, zonder toestemming van het parlement, zodra de epidemische noodsituatie is uitgeroepen.

De regering kan aldus de maatregelen treffen waarmee we heden jammer genoeg maar al te vertrouwd zijn, zijnde lockdown, avondklok, sluiten ondernemingen, etc. 

Het blijft schokkend om vast te stellen dat eenmaal het parlement haar fiat heeft gegeven wat betreft het bestaan van een epidemische noodsituatie de regering een vrijgeleide heeft om binnen de brede krijtlijnen van de pandemiewet noodmaatregelen uit te vaardigen. 

Waarom blijft men halsstarrig weigeren om aan het parlement medezeggenschap te geven wat betreft de invulling van de vrijheidsbeperkende maatregelen?

Er wordt in het ontwerp verwezen naar het feit dat het parlement achteraf bij wet altijd het Koninklijk Besluit kan wijzigen of schrappen maar dat is toch eerder een doekje voor het bloeden. Het betreft immers een algemeen rechtsbeginsel (hiërarchie der normen) dat gewoon even herhaald wordt.

Hier kan men echt spreken van een gemiste kans. De Raad van State stelde hieromtrent immers expliciet: “Uiteraard belet niets de wetgever om, gelet op het ingrijpend karakter van de maatregelen, toch in een dergelijke bekrachtiging te voorzien, teneinde het democratisch draagvlak van de maatregelen te verhogen.”.

We zijn allemaal ondertussen genoegzaam vertrouwd geraakt met het belang van het bekomen en behouden van het draagvlak bij de bevolking voor de soms zeer verregaande inperking van onze vrijheden en rechten in het kader van de strijd tegen een pandemie.

Het woord draagvlak is hier essentieel. Maatregelen die worden opgelegd aan burgers en ondernemingen na een debat in het parlement en waar het parlement het laatste woord heeft hieromtrent hebben een groter democratisch draagvlak!

Hier is het aangewezen om deze pandemiewet even te duiden. Hoe men het ook draait of keert, het betreft deels een Bijzondere Machtenwet. 

Er wordt immers de bevoegdheid opgedragen aan de uitvoerende macht om gedurende een zekere termijn (drie maanden, telkens verlengbaar met drie maanden) nuttige en noodzakelijke maatregelen te treffen op een groot aantal domeinen teneinde een algemeen bepaalde doelstelling (bestrijden epidemie) te bereiken waarbij de geldende wetgeving opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen wordt.

Dit onbegrijpelijk wantrouwen jegens het parlement begrijpen wij niet. Men schijnt te vergeten dat het toekennen van bijzondere machten verantwoord wordt door de overtuiging dat de parlementaire wetgevingsprocedure geen snelle en gecoördineerde ingrepen zou kunnen waarborgen. Daar waar deze redenering kon opgaan in een tijd waar informatiesnelheid en doorstroom nog beperkt was is dit heden ronduit achterhaald.

Voor zij die stellen dat bij een pandemie er snel moet worden opgetreden en dat het parlement niet snel genoeg zou kunnen optreden hoeft men maar over de grens te kijken. In Nederland acht men de democratie en dan in het bijzonder het parlement wel in staat om detailmaatregelen wel te stemmen en goed te keuren.

Dit wantrouwen van de uitvoerende macht jegens het hart van de democratie is bevreemdend en het is een gemiste kans. Als men maatregelen treft die rechten en vrijheden van de burgers beperken om een dreigende pandemie af te wenden is het daadwerkelijk betrekken van het parlement een troef.

Doordat ook het parlement daadwerkelijk de kans zou krijgen (wat dus in dit ontwerp niet het geval is) om zich achter deze maatregelen te scharen, vergroot dit het maatschappelijke draagvlak voor de maatregelen. Deze zullen beter nageleefd worden gezien ze de steun genieten van de meerderheid van de parlementsleden.

Besluit

Het is positief dat men eindelijk kiest voor een wettelijke verankering van de nu al meer dan een jaar durende inperking van allerhande vrijheden en rechten tengevolge de pandemie. Ook is het niet langer een catch-all noodwet die bij eender welke crisissituatie kan worden ingeroepen maar dus enkel en alleen ingeval van een vastgestelde pandemie.

Wat blijft, is een zeker wantrouwen jegens het parlement. Het parlement wordt enkel betrokken bij de discussie of er inderdaad sprake is van een epidemische noodsituatie.

Eenmaal deze situatie is vastgelegd, wordt het parlement herleid tot de rol van een toeschouwer. De KB’s worden voor de publicatie in het Staatsblad medegedeeld aan de Voorzitter van de Kamer.

Het belangrijkste punt van kritiek blijft dat het Parlement niet betrokken wordt bij het uitwerken van maatregelen.

Terwijl veel politici de mond vol hebben over de kloof met de burger en men allerlei projecten op de rails wil zetten om de burger meer te betrekken in het beleid en men het parlement terug in ere wil herstellen, doet men hier net het tegenovergestelde.

De vaststelling blijft dat het parlement nog steeds echt medezeggenschap wordt ontzegd over de te nemen vrijheidsbeperkende maatregelen en dit ondanks de duidelijke hint van de Raad van State.

Dit ontwerp is al een eind opgeschoven in de goede richting maar een essentiële kaap moet genomen worden en dit om het democratisch draagvlak van de getroffen maatregelen te verhogen.

Het blijft verbazen dat het parlement zwijgzaam instemt met de abdicatie van haar inspraak wat betreft het vastleggen van de specifieke maatregelen bij een pandemie en dit zeker wanneer het de inperking van essentiële grondrechten betreft.

De Liberale Wereld